13 maart 2021

15 jaar terugblikken; én vooruitkijken op ons vakgebied

Nooit had ik gedacht dat ik zo gegrepen zou worden door dit bijzondere vak. Waar anderen vaak zeggen dat ze van hun hobby hun werk hebben gemaakt, moet ik toegeven dat ik onwetend in dit vak ben gestapt en dat dit vak mij vanaf de eerste dag heeft gegrepen tot in het diepst van mijn vezels.

Stel je voor: een rechter die feitelijk zoiets zegt als “ik vertrouw aan jou toe om goed voor hem of haar te zorgen….”. Wanneer je, zoals ik toen, zelfs nog nooit een rechtbank van binnen hebt gezien, komt dat best binnen. En dat is nooit veranderd.

Zo’n 1.400 cliënten hebben we nu. En toegegeven: soms voelt dat best even als last. Maar zoveel vaker – nog steeds dus – als een geweldige opdracht. Een voorrecht. Eervol en mooi en met een serieuze opdracht, namelijk rust brengen in een leven. Problemen oplossen, vaak waar dat eerder (op andere, “lichtere” manieren) niet is gelukt. Er aan bijdragen dat mensen weer genoeg rust en ruimte ervaren om andere – vaak veel grotere – kwesties het hoofd te bieden.

Het is een prachtige “last” die ik telkens weer graag op me neem en die past bij de manier waarop ik naar de wereld kijk: omzien naar elkaar.

Wat is veranderd?

Sinds ik startte is er wel veel veranderd in ons vakgebied. Gelukkig zijn de meeste van die veranderingen positief. Vooral de wetswijziging van 2014 en (het besluit) kwaliteitseisen CBM sluiten goed aan bij de volwassenwording en bieden daaraan ondersteuning.
Ook andere zaken, zoals de recente fusie tussen twee brancheverenigingen, onderstrepen deze positieve ontwikkelingen.

Daar sta ik dus

Te midden van die ontwikkelingen en veranderingen sta ik dus. Waar mogelijk probeer ik een positieve bijdrage te leveren. Mijn steentje bij te dragen. Niet omdat ik geloof dat ik de wereld kan veranderen, maar gewoon omdat “niets doen” voor mij geen optie is.

Alles is relatief natuurlijk. En veel te vaak voelen we de machteloosheid als we kijken naar beelden van over de hele wereld. De techniek heeft nu eenmaal de wereld klein gemaakt.
Maar dit is wat ik kan. Niet groot of bijzonder, maar wel gewoon: elke dag het onderste uit de kan halen voor onze cliënten, en dat dus nu al 15 jaar.

Jammer

Er is dus gelukkig veel positiefs te melden. Maar niet: “alleen maar”. Een kwestie die veel te vaak de goede zorg aan kwetsbare burgers frustreert, betreft (hoe kan het ook anders) de kosten.

Voor de duidelijkheid: alle cliënten betalen zelf de kosten van hun bewindvoerder. Echter hebben vervolgens veel (verreweg de meeste) van die cliënten recht op vergoeding van die kosten vanuit de bijzondere bijstand. Tot zover niets aan de hand.

Wat echter jammer is, is dat de publieke discussie zich vernauwt tot zoiets als “de pot van de bijzondere bijstand gaat grotendeels op aan bewindvoerders”. Immers is het verhaal (veel) groter dan dat.
Om maar een paar aspecten te noemen: Een door de jaren heen gegroeide individualisering, het grotendeels wegvallen van oude structuren zoals kerken en verenigingen, het wegbezuinigen en minimaliseren van allerlei andere vormen van zorg en begeleiding, de digitalisering van de maatschappij, en een complexe en strenge wet- en regelgeving.

Goede antwoorden vinden, begint met goede vragen stellen. De goede vraag is hier dus: Waarom zijn er zo veel mensen die zonder hulp niet meer goed mee kunnen doen in onze maatschappij? En dan: hoe gaan we dát oplossen?

Trots (?)

Nederland staat niet te boek als een trots land, Nederlanders niet als een trots volk. Ook ik ben overgoten met diezelfde “doe nou maar gewoon” – mentaliteit. En eigenlijk vind ik dat wel best.

Dus ja: ik ben trots, maar in de eerste regels heb ik daar wel genoeg over geschreven.
Aan onze medewerkers leg ik vaak uit dat ons vak nou eenmaal niet met zich meebrengt dat we regelmatig op de schouders worden getild en helaas niet elke dag een schouderklop van onze cliënten kunnen verwachten. De trots zit dan in de overtuiging dat we het goede hebben gedaan. En dat dan met een maximale inzet.

Daarin, én in de mooie verrassingen, zoals een kaartje of een mailtje, een bedankje of een afscheid.
Of die keer dat mijn cliënt vanuit zijn deuropening glunderend naar de overbuurvrouw riep: “dat is mijn curator!”.

Verandering

De belangrijkste verandering waarop ik nog hoop, heb ik feitelijk hierboven beschreven: dat het kostenaspect niet langer de boventoon voert in de discussie over de aandacht die wij in Nederland geven aan wie dreigt achter te blijven.

Maar ik realiseer me dat deze wens een onderdeel is van een grotere behoefte, te weten dat het in dit land weer wat normaler wordt om oog, én hart te hebben voor elkaar.

Een land waarin wat er écht toe doet de aandacht krijgt die het verdient.

terug naar overzicht